Aflevering 6: Een belga besteed je nooit alleen
Geen Belgische muntgeschiedenis zonder devaluaties. We besparen u de details, maar in de jaren '20 van de vorige eeuw stond de frank er bijzonder slecht voor. WO I en het falen van de zogenaamde Latijnse Muntunie (een soort mini-Europese Monetaire Unie avant la lettre, waarin Frankrijk het mooie weer maakte) hebben er wel wat mee te maken.
Wij kijken er nauwelijks nog van op, maar het fenomeen inflatie was voor de naoorlogse bevolking iets nieuws: in de 19de eeuw waren de koopkracht en de waarde van het geld zowat altijd dezelfde gebleven. Op de sterke inflatie werd dan ook wat knullig of niet gereageerd, bijvoorbeeld door domweg biljetten uit omloop te nemen en ze te verbranden.
In 1926, toen de frank ten opzichte van bijvoorbeeld de dollar op vier jaar tijd tot een derde in waarde gedaald was en nadat België eindelijk een buitenlandse lening had losgepeuterd, voerde minister van financiën Janssen een hervorming door om de frank te stabiliseren. Dat hield een flinke devaluatie in: de frank bedroeg nu slechts een zevende van haar vooroorlogse waarde.
En om de burger moed te geven werd een nieuwe munteenheid ingevoerd: de belga. Die vijf maal meer waard was dan de frank: één belga was goed voor vijf frank. Eerste bedoeling van de 'belga' was om afstand te nemen van de Franse frank, maar omdat die zogezegd vijf keer sterker was, gaf dat ook een belangrijk psychologisch effect in die crisisjaren: 1.000 frank te moeten betalen, of 200 belga's, het geeft toch de illusie minder diep in de portemonnee te moeten graven.
Tussen haakjes: na WO II haalt Frankrijk hetzelfde truukje uit met haar gedevalueerde frank. 100 Franse frank wordt dan met één pennentrek van de Gaulle terug 1 frank.
De goeie ouwe Belgische frank verdwijnt echter niet met de komst van de belga, die zich vooral in het buitenlandse geldverkeer tracht te onderscheiden van de Franse grote broer. Tussen 1926 en 1946 dragen Belgische munten en biljetten een dubbele denominatie. De eerste coupure met belga-aanduiding werd in 1927 een nieuw 50 frank-biljet, of 10 belga-biljet zo u wil. Met «een zeer eenvoudig thema (...) dat gemakkelijk te begrijpen valt door het grote publiek,» zo schrijft de Bergense ontwerper en kunstschilder Anto-Carte. Het werden dus een begrijpbare boerin met een bundel tarwe in haar armen op de ene zijde, en een dame op de andere zijde die de «overvloed door overzeese inspanningen» (in Kongo dus) uitbeeldt door middel van een hoorn des overvloeds en een schip. U begrijpt.
Het mocht echter niet zijn, die overvloed. In 1929 crasht Wall Street, in 1931 storten de Oostenrijkse en Duitse banken in en tuimelt zelfs het pond, eeuwenlang hét symbool voor stabiliteit, naar beneden. En België tuimelt mee. In '35 devalueert de frank met 28%. En ook de in de oorlog door de nazi's opgelegde pariteit tussen mark en frank houdt een feitelijke waardevermindering voor de frank in.
In de Gutt-operatie van 1944 hanteert men nog de belga, maar omdat die naoorlogse geldsanering een (vooral voor woekeraars) pijnlijke operatie was, is men de belga dan maar snel vergeten. De belga werd trouwens toch maar met inflatie en devaluatie geassocieerd.
Misschien maar goed dat de belga verdween. Voor ons taalgebruik. 'Mijn belga is gevallen' zou bijvoorbeeld onder rokers maar voor verwarring zorgen.
Bron:
http://www.gva.be/dossiers/-f/totdelaatstefrank/6.asp