Dag allemaal,
De laatste jaren is het aantal vondsten van Eburonenstaters (zowel klasse I als klasse II) toch wel sterk toegenomen. Vergeten we hierbij zeker niet de schatvondst van Heers, van de 102 gouden staters in deze muntschat waren er 78 Eburoonse exemplaren van het type klasse I. Typen van klasse II ontbraken in deze schat.
Ik moet toch de bedenking maken dat - zoals Ahenobarbus al aangaf - de meeste prospectors juist die plaatsen frequenteren waar de kans op het vinden van antieke munten het grootst is, met name dan van Romeinse munten. Maar het valt mij steeds weer op dat ook op de zogenaamde Romeinse vindplaatsen er heel vaak een woongebied voorkomt waar naast Romeinse ook Keltische munten worden gevonden. Men vindt er dan vaak niet alleen staters maar ook zilveren of bronzen Eburoonse munten.
Volgens mij ging er dus aan een groot aantal Romeinse nederzettingen zeer vaak een inheemse Keltische bewoning vooraf. Men merkt dit zeker ook op kleinere bewoningshorizonten zoals bv. Romeinse villa's. Vaak kan men aan de hand van de vondsten op het domein chronologische gebieden onderscheiden en kan men de evolutie van de menselijke aanwezigheid perfect volgen. Uiteraard komen er vindplaatsen voor waar de verschillende tijdsperioden - en dit gedurende eeuwen lang - elkaar overlappen.
Wat nu de vindplaatsen van Eburonenstaters betreft: in Empel werden 22 ex gevonden, in Geldermaesen 2 ex, eentje in Ophemert, Heerewaarden-St. Andries, Nijmegen, Hoogeloon, Weert, Thorn, Maastricht-Randwijk. Tot daar Nederland, maar er zullen er ongetwijfeld meer zijn gevonden.
In België: Antwerpen, Asse (2), Brussel, Rotselaar, Leuven, Molembeek-Wersbeek, Berg (4 en 1 flan), Heers (schat), Roclange sur Geer, Widooie, Piringen, Vechmaal (2), Petit-Hallet, Marilles, Braives (5 ex.), Tongeren (2), Namen, Liberchies (3), Haulchin, Fontaine-Valmont (geplateerd), Fraire (4 ex. in schat), Vervoz-Clavier, Marche-en Famenne. In Duitsland werden in de buurt van Jülich 2 ex. gevonden en in Frankrijk werd een ex. gevonden te Boviolles (geplateerd). Ik herhaal, er zullen er ongetwijfeld nog meer gevonden zijn.
Spijtig is dat het niet altijd duidelijk is om welke type het gaat.
Volgens Caesar was de stam van de Eburonen een kleine onbeduidende stam. Maar wanneer we nu kijken naar het vondstgebied waarin Eburonenstaters worden gevonden dan gaat het om een zeer uitgestrekt gebied. Caesar wilde ons duidelijk doen geloven dat ook een kleine stam voor groot gevaar kon zorgen, wat natuurlijk de Romeinse overwinningen nog heldhaftiger maakten.
Het is vandaag de dag helemaal niet zeker of Caesar de Eburonen definitief wist uit te roeien. Er zijn aanwijzingen als zou er zich een andere ontwikkeling hebben voorgedaan.
Na de Romeinse exterminatiescampagnes van 54 en 53 BC in het land van de Eburonen verlaat Caesar in 51 BC Gallië en tot in de eerste eeuw na Christus heerst er een totale stilte over het gebied van de Eburonen.
Het is de Romeinse schrijver Plinius die in de eerste eeuw na Christus vermeld dat het voormalig land van de Eburonen wordt bewoond door de Tungri en de Texuandri.
De Tungri worden voorgesteld als een Germaanse immigratiestam die het verwoeste land van de Eburonen dienden te herbevolken ten tijde van de reorganisatie van Agrippa.
Maar mogelijk waren deze Tungri helemaal geen Overrijnse stam maar vormden ze de 'restanten' van de vervolgde Eburonen die een andere naam hadden aangenomen. Volgens E. Wightman betekent de naam Tungri de 'geconfedereerden', dewelke hun artificiële oorsprong weerspiegelt.
Ook de Texuandri worden door Plinius genoemd, die er trouwens aan toevoegt dat dit volk meerdere namen had. Hij beschrijft dat dit volk de regio bewoonde begrensd door de Waal in het noorden, de Peel in het oosten, de Demer in het zuiden en de Schelde in het westen.
In de Middeleeuwen leeft de naam Texuandri verder in twee streeknamen, Toxandrië en Teisterbant. Ook hier wordt nu gesuggereerd dat het delen waren van de Eburoonse bevolking en dat de naam Texuandri de gelatiniseerde naam is van Eburonen. Het Keltische ‘eburo’ komt overeen met het Latijnse ‘taxus’, een veel voorkomende inheemse dennensoort.
Uit de numismatische gegevens blijkt nu dat er in de regio tussen de Waal, de Maas, de Dijle en de Schelde een specifieke monetaire zone bestaat die zich duidelijk onderscheidt van de westelijke Nervische en zuidelijke Trevierse monetaire zone.
Deze monetaire zone bestond reeds voor de komst van de Romeinen (cfr. stater type biface Lummen-Niederzier) en handhaafde zich ook na de verovering. Dit wijst op een continuïteit op monetair maar ook op politiek vlak wat niet in overeenstemming is met de uitroeiïngstheorie van de Eburonen dewelke door Germaanse immigranten van over de Rijn zouden zijn vervangen.
mvg,
Catuvolcos
