|
aurelianus
|
 |
« Antwoord #1 Gepost op: 15 Mei 2005 - 23:33:32 » |
|
Ha Togirix, ben je zeker van de massa? Ik denk dat dit type heel laat is, dus lichter dan 5 gram net als de mijne:
KELTEN MIDDENRIJNKELTEN BATAVIRI STATER “REGENBOOGSCHOTELTJE” of Type “R” Datering:25 v. Chr. - 0. (?) Biljoen; Massa: 3,74925 gram Diameter: 16,2 –18,5 mm. Stempelstand: 6 Kwaliteit :Zeer goed /Fraai.
Literatuur: La Tour, pl. XXXIX, vergelijk no.: 9439, “Celtic coins from the Netherlands and their archeological context”, Roymans en Van der Sanden; mn. Blz. 239 e.v., type XVIb (geen afbeelding), “Romeinse frontier politiek en de etnogenese van de Bataven”, verkorte rede van N.Roymans. Hierin staat het bijteken blz. 26 & 27, onder O, afgebeeld. Herzien in 2000, onderdeel van “Germania inferior”NR pagina 103 type r. Voorzijde: Triquetrum, rond een cirkel waarbinnen een kogel, de uiteinden van de beentjes eindigend in een zelfde, maar kleinere structuur. Alles binnen een lauwerkrans, opgebouwd uit twee gespiegelde helften, links en rechts uit dubbele blaadjes, eindigend in een opening , waarbinnen emissieteken: “ A” (op haar kop)
Keerzijde:: Zeven cirkelpatronen in piramidale opbouw: vier min of meer lineair geplaatste kleinere cirkels waarin kogels, waarboven in een driehoek geplaatst, drie grotere cirkels met in iedere cirkel een kleinere cirkel. Deze acht cirkelpatronen in piramidale opbouw zijn geplaatst binnen “torque”. Bijteken: “A “,links van de piramide ter hoogte van waar de bovenste aansluit op de twee cirkelstructuren,de bovenzijde van de “A” is naar het centrum gericht
Op deze munt komt de zonnesymboliek sterk naar voren: op de bolle kant het Keltische zonnerad voorgesteld door het triquetrum en door het getal 3 (ringstructuren op de krans), Aan de holle kant door de drie, in een driehoek geplaatste, grote ringstructuren. De daaronder geplaatste vier kleinere cirkelmotieven symboliseren de uitbreiding van de ruimte. De torque symboliseert de mannelijke kracht. (Vrij naar Lengyell: “Das geheime Wissen der Kelten”, blz. 100 fig. M 130, M 113; blz. 102 en 105 mn. No.: 167.)
|