Vervolg indeling: toevoeging Aurelianus omdat het bovenstaande bericht de 10000 karakters te boven gingIk stel voor om het portret-type te specificeren als R of D, dus
Toevoeging A 
N.a.v. Gantois
F = te lichte stukken (dus werkelijk met de bedoeling te bedriegen),
Voorstel 1: laten staan bij Romeinse munten= fourré denarii (dat zijn in feite ook vervalsingen, doch slecht te zien indien perfect uitgevoerd en door de tand des tijds niet aangetast),
Voorstel 2: laten staan bij Romeinse munten= limes denarii,
B= door analfabeten in de provinciën vervalste stukken (dus wat Aurelianus hier als "barbaren") beschouwd
Voorstel van Goodies (elders)
R= radius
D=diadeem
l= links
r=rechts
Dit verandert overigens wel alle type 2 munten tot nu toe in type 2R munten.
We kunnen zeggen als er niets is vermeld, dan R. Dat scheelt tikwerk !
Kenmerken en speculaties t.a.v. type IIBarbaarse imitatie - wat is het preciesOver heel Europa (en zelfs een beetje er buiten) waren de Romeinse munten te vinden, ook in gebieden die niet door de Romeinen veroverd waren. Overal was behoefte aan Romeinse munten, want die werden overal geaccepteerd. De diverse stammen in de grensgebieden maakten hun eigen munten, naar het voorbeeld van de Romeinse munten. Alleen hun techniek was niet zo goed als die van de Romeinen en de Romeinse symbolen en letters waren vaak vreemd voor ze. Het effect was een beetje als dat van een klein kind dat een plaatje overtekent: het wordt steeds slordiger en onherkenbaarder.
(bron: Figleaf)
Wat betekent Barbaarse Imitatie - type II In de tweede helft van de derde eeuw, onder Postumus neemt de lokale muntslag - die in deze gebieden, vrijwel twee eeuwen heeft stil gelegen - plotseling weer toe. De munten geslagen door de Usurpatoren noem ik geen barbaren. Verschillende opstanden en financieel (wan)beheer ontstond er op verschillende plaatsen in het Romeinse rijk een tekort aan pasmunt, zodat imitatie binnen het geldstelsel een rol konden gaan spelen. Dit loopt vermoedelijk door tot in de vierde eeuw.
(bron: aurelianus)
In deze bijdrage zou ik graag "type II" en de historische context (zoals ik die zie) met elkaar in verband willen brengen, tevens enige kenmerken noemen die ik tot nu toe heb waargenomen.
De imitatie type II is niet valsDit verhaal gaat dus over de contemporaine
imitaties van laat 3e eeuwse romeinse munten, meestal bronsjes gemaakt met als voorbeeld een antoninianus, bedoeld om in circulatie te functioneren als munt. De keizers waarvan veel imitaties voorkomen zijn: Claudius II, Victorinus, Tetricus I en Tetricus II.
In de derde eeuw waren de romeinen vooral bezig elkaar te bevechten. Daarbij speelden bondgenootschappen een rol en vriendschappelijke betrekkingen met stammen. Wellicht zelfs een monetair "gedoogbeleid" ten aanzien van munten. Mijn indruk is, dat "barbaarse imitaties"" nodig waren als wisselgeld bij
vreedzame handel tussen romeinen en de plaatselijke bevolking. Vooral op plaatsen waar tekort heerste aan muntgeld. Het tekort werd eenvoudig aangevuld. En ze werden dus
geaccepteerd, ondanks dat ze gemakkelijk
herkenbaar zijn (en waren!) als vervalsing.
Dat verklaart ook, waarom de
details op barbaarse imitaties niet hoeven overeenkomen, terwijl de munt toch onmiddelijk de indruk van "romeinse radius" geeft. In die in zijn het dus
imitaties, geen "vervalsingen".
Hoe werden deze munten gemaakt ?Het namaken van Romeinse munten was ook niet gemakkelijk. Stempels konden veroverd worden, maar als
er geen oorlog is, waarom met goud romeinen omkopen (!) voor
kleingeld ? En om de "officiele" stempels
bij te werken, of om een bepaalde munt voorzijde en achterzijde compleet te krijgen, of zelfs maar te begrijpen
hoe die officiele stempels onderhouden moesten worden: dat was een probleem.
Dus werd er gegoten of er werden eigen stempels gesneden,
op het oog gecopieerd vanaf circulerende munten.
Vermoedelijk werden er ook veel meer munten geslagen van een enkel stempel, dan de officiele munt-ateliers zouden doen. Vooral de omschriften en het portret-detail, met name de drapering (rand!) gaan dan verloren. Een "barbaarse imitatie" ziet er dus meestal slecht uit, vnl door:
stempel-slijtage en
stempel-fouten.
Is het determineerbaar, dus als "RIC xxx" ?Een direkt verband kan gelegd worden tussen bepaalde RIC-nummers en voorzijde of keerzijde. Maar de RIC-indeling voldoet niet voor barbaarse imitaties, omdat hybriden voorkant-achterkant veel voorkomen en, belangrijker, omdat de variaties in het omschrift bij barbaarse imitaties niet te associeren zijn met de "officiele" RIC-lijst. Er is dus een aparte catalogus nodig en die is er (nog) niet.
Wellicht kan grof ingedeeld gaan worden naar het gebied waaruit de munt afkomstig is: het geimiteerde onderschift op de achterzijde geeft daar misschien een aanwijzingen. Bijvoorbeeld: het misverstand A -
L Maar nogmaals, de voorbeelden waren m.i. circulerende stukken, dus wie zegt dat een Vlaamse Gallier niet een antoninianus uit Sirmium namaakt? Ook daar geen definitieve conclusies dus.
Kunnen we "barbaarse imitatie" onderscheiden van een officieel stuk ? Antwoord: ja,
Allereerst zijn de imitatie-munten vaak
lichter of
kleiner dan de officiele uitgaven (red 5-3 nav Gladius/aurelianus).
Ik zal proberen een aantal muntbeeld-kenmerken op te noemen. Dit is geen compleet overzicht, eerder een verslagje
van wat ik tot nu toe heb gezien op dit forum en op foto's elders. Aanvullingen zijn vanzelfsprekend welkom.
Wat is er te zien op een barbaarse imitatie type II ?1. Het portret van de keizer vormt volgens mij
geen aanwijzing op zichzelf. Een portret kan
naief overkomen, of schetsmatig. Of niet gelijkend. Maar al deze kenmerken kunnen ook op de gewone
uitgiften aangetroffen worden. Er zijn wel enige kenmerken die mij zijn opgevallen bij de type II munten:
- omvang kop wijkt af, dwz veel kleiner (vaker), of veel breder (minder vaak)
- de stralenkroon is (zeer) groot ten opzichte van de kop
- de stralenkroon ziet eruit als een helm met stekels
- geen eenheid tussen drapering en portret, ontbrekende drapering
Let op: deze kenmerken zijn dus geen
algemene aanwijzingen. De tweede en derde komen bijvoorbeeld
ook bij de officiele uitgaven voor Valentinianus II en Tetricus II veelvuldig voor.
2. De belettering. Belangrijk. Altijd slecht gesneden. De muntvervalser was analfabeet, of deed niet de
moeite om precies te zijn, of prefereerde vorm boven inhoud. De kenmerken die ik tot nu toe heb gezien:
- variatie in de ruimte tussen de letters binnen woorden
- variatie in de grootte van de letters in een en hetzelfde omschrift
- het omschrift beperkt zich tot de keizernaam
- gekantelde of gespiegelde letters. Vooral: S, N, V en C. R ook gezien
- verbasterde letters. A als
L, R als P
Ten overvloede, niet alles is hier te wijten aan analfabetisme, denk ik: de ruimte- en grootte variaties komen voort
uit het feit dat je bij "op het oog namaken" rondom een voorstelling of het portret werkt. Er werd m.i.niet een
functioneel omschrift neergezet: de beschikbare ruimte werd opgevuld. Woorden zijn een kwestie van compositie
en vereist ambachtelijk inzicht. Misschien wist de lettersnijder zelfs wel wat er stond maar was hij bezig met een
eigen invulling (een
impressie dus) van het muntbeeld en niet met een exacte kopie. Een heel mooi voorbeeld
van deze benadering zijn de Gallo-Keltische imitaties, waarbij de belettering eerder ornament is en ook de letter
aan die functie is aangepast. De vorm is ondergeschikt aan de inhoud.
Ook opmerkelijk: hoe vaak en hoe consequent we de gekantelde S zien en de letter A zonder streepje.
Ik heb het idee dat die gekantelde S een slang-motief is dat bijvoorbeeld op keramiek voorkwam. De mensen die zich
gingen bezighouden met het vervalsen van stempels (of met gieten!) hadden het "slingertje horizontaal" wellicht
nog "in de vingers". Wat betreft het ontbreken van - in de A zou de verklaring kunnen zijn dat de
A in het gebied van oorsprong een gekend symbool was (Griekse Lambda), de latijnse A niet.
3. De voorstelling op de achterzijde. Hier is natuurlijk de meeste vrijheid. Ik denk nu, dat de dier-motieven, Sol en
Hercules bij de Type II munten favoriet zijn. Enige kenmerken:
- uitgerekte proporties van de centrale figuur
- foutieve proporties, zoals aanhangende ledematen
- driehoekige, of trapezium-vormige kleding
- diehoekig gestyleerd hoofd van Sol
- schetsmatige weergave (losse lijntjes, kerfjes)
- pentakel of ander symbool (swastika) toegevoegd in veld