De periode 1500-1789 valt uiteen in een aantal tijdperken die hun sporen op de muntslag achterlieten. Het eerste tijdperk is dat van de grote ontdekkingsreizen. Daarna komt het tijdperk van de grote metaaltoevloed en da daarbij behorende inflatie. Tenslotte komt er een tijdperk van nieuwe ideeën en grote uitvindingen. Het voorgaande tijdperk, de middeleeuwen, werd beheerst door twee munttypen: de denier en de gros. De tijd er na wordt gedomineerd door de Thaler en de Peso, beide grote zilverstukken en de Dubloen en de Escudo, grote goudstukken.
De grote ontdekkingsreizenDe ontdekking van Guinea, met zijn enorme goudvoorkomen maakte van Portugal een netto verkoper van goud. Dat goud werd vermunt tot
cruzados om ze makkelijk verhandelbaar te maken. De cruzado was een handelsmunt. De verhouding tussen goud en zilverprijs lag in Azië heel anders dan in Europa. Het was daarom de moeite waard voor de Portugezen hun goud naar Antwerpen te brengen om er zilver van te kopen en met dat zilver in Azië inkopen te doen. De koloniale waren werden in Portugal afgezet en met het zo verdiende geld kon de cyclus opnieuw beginnen.
In Spanje was men bij toeval geheel voorbereid op de ontdekkingsreizen. In 1497 werd in Medina del Campo een pragmatische resolutie (koninklijk decreet) uitgevaardigd dat een nieuw muntstelsel schiep, gebaseerd op de koperen
Maravedi, met een zilveren real van 34 maravedi en een gouden excelente van 375 maravedi. De belangrijkste munt uit dit stelsel werd het 8 reales stuk dat de bijnaam
Peso (zware) kreeg. Daarnaast werd de gouden dubloen van
twee excelentes een belangrijke munt. In Venetië was de excelente precies een dubbele dukaat waard. Daardoor werd de excelente ook in het gebied van de Middellandse zee populair. Toen Isabella overleed in 1504 had de dubloen zo een belangrijk marktaandeel, dat werd besloten het dubbelportret te handhaven. In de 16
e eeuw was de Spaanse dubloen met muntteken S (Sevilla) de meest voorkomende gouden munt in Europa.
In het begin leverden de Spaanse koloniën in Zuid Amerika hoofdzakelijk goud op. Naar schatting was de ratio tussen de invoer van goud en zilver in de periode 1521-1530 ongeveer 97 op 3. Op ingevoerd metaal werd een belasting geheven van 50% op buit en 12,5% op de opbrengst van mijnen. Daardoor werd het nuttig om metaal te munten. Hiervoor werden Indiaanse slaven gebruikt. De werkomstandigheden waren erbarmelijk, de sterfte hoog en de vertegenwoordigers van de kerk ergerden zich aan de dodelijke uitbuiterij. De Spaanjaarden ontdekten dat het zilver met kwik tot een heel hoog gehalte gezuiverd kon worden en namen de giftige kwikdampen op de koop toe, waardoor het leven van de Indianen in de mijnbouw nog verder verkort werd. De resultaten van de plaatselijke muntslag waren zo slecht dat de aangekomen stukken meteen omgesmolten en hermunt moesten worden, wat de wrede behandeling van de indianen nog zinlozer maakte.
In 1519 werd een munthuis geopend in Joachimsthal (nu Jáchymov in Tsjechië) om de enorme hoeveelheid zilver uit de mijn daar te kunnen munten. Stephen van Slik, de plaatselijke heer, aapte de grote munten van Saksen na, maar met een net iets lager zilvergehalte, een vrij normale reactie voor een kleine heer. De hoeveelheden zilver uit de Boheemse mijnen en het populaire zilvergehalte maakte de munten uit Joachimsthal, de
Joachimsthaler tot een standaard voor heel Europa. Alleen de naam was onuitspreekbaar in vele talen en veel te lang. In Duitstalige gebieden sprak men van Thaler, in Italië van Tallero, in Schotland van Dollar, in Nederlandstalige gebieden van Daalder en in Rusland van ... Jefimok (van Joachim).
In 1559 slaagde de Rooms-Duitse keizer Ferdinand I er in de Thaler in het hele rijk vast te stellen op 68 kreuzer. Deze munt werd de reichsthaler genoemd. Daarnaast werd een reichsgulden van 60 kreuzer ingevoerd. Deze munten hadden een grote invloed in de Nederlanden.
Naast de nieuwe grote munten bleven ook de
denier en
gros in omloop.
Metaaltoevloed en inflatieHet begin van de opstand in de Nederlanden veranderde de situatie in Spanje. Er moesten grote hoeveelheden geld naar de Nederlanden vervoerd worden en dat kon niet over land, want Frankrijk lag in de weg. De strijd om de onafhankelijkheid werd beslist op zee. Ook Engeland was een vijand van Spanje geworden: de paus had het aan Spanje toebedeeld na de “afvalligheid” van Hendrik VIII. Engelse (Sir Francis Drake) en Nederlandse (Piet Hein) vrijbuiters deden hun best de aanvoer van Spaans zilver te verstoren en daar rijk mee te worden.
Toch kwam er nog heel wat aan. Dat vond zijn weg naar Antwerpen, Augsburg, Genua en Milaan, waar weer heel wat aan de strijkstok bleef hangen. Al dat extra geld veroorzaakte op den duur inflatie. De excelente werd vervangen door de
escudo (schild) van een lager gehalte, bedoeld om de positie van de Franse gouden ecu te ondergraven. De zilveren munten konden gehandhaafd blijven. In Mexico was namelijk een grote Spaanstalige economie ontstaan. Het zou absurd zijn het plaatselijk gevonden metaal niet voor de plaatselijke geldomloop te gebruiken. Dit precedent breidde zich uit tot alle Spaanse koloniën in Zuid Amerika, die munten op
Spaanse voet gingen slaan. De
Peso werd de munt waarnaar alle andere munten werden afgemeten. Het Spaanse kopergeld werd in dit geweld gemangeld en afgewaardeerd tot de omloop van koper een
schandvlek voor het land was.
Voortdurende oorlogen, inflatie en religieuze vervolgingen verzwakten het Spaanse rijk van binnen uit. Daardoor kregen andere zeevarende landen als de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en Engeland de kans zich op te werken. Ook zij stichtten een koloniaal rijk, met behulp van moderne instrumenten als de VOC en de East India Company. In deze koloniën moest geld worden aangevoerd. Dat was een kostenpost die zo klein mogeljk gemaakt moest worden. Hierdoor ontstond een bijna voortdurend geldtekort en een
plaatselijke muntslag, maar ook
inventief hergebruik van de overvloedig aanwezige Spaanse koloniale munten.
In Noord en Oost Azië was er een eigen
muntentraditie van gegoten munten. In Zuid-Azië waren de munten van India toonaangevend. Deze waren meestal alleen voorzien van tekst. De stempels waren vaak te groot voor de muntplaatjes, waardoor zelfs munten van hetzelfde stempel er geheel verschillend uitzien. De muntslag was ook nog sterk gedecentraliseerd. Van de rupees van de Groot Mughal Aurangzeb zijn
een kleine 100 muntplaatsnamen bekend.
Italië profiteerde van de Spaanse overvloed, maar zette het niet zo zeer om in economische groei, maar eerder in een bloeitijd voor de adel, wat een opleving in de kunst opleverde die zijn invloed had in heel Europa. Italiaanse munten waren prestigestukken, nauwelijks geschikt voor de omloop. De penning werd in Italië vervolmaakt.
Triomf van technologieSlechte muntslag was heel normaal in de 17
e eeuw. Grotere hoeveelheden munten om te slaan betekende slechter verzorgde munten. Het is dan ook geen toeval dat in deze tijd de ene uitvinding na de andere werd gedaan om het productieproces te mechaniseren. Het begon in Parijs met het gebruik van waterkracht voor het uitrollen van het metaal en het uitstansen van rondellen. Daarna kwamen schroefpersen in gebruik, waarmee gelijkmatiger en krachtiger geslagen kon worden. Om snoeien tegen te gaan werden machines uitgevonden die een randschrift in het metaal konden persen. De resultaten van de nieuwe machines waren
prachtig, maar de gilden van het personeel van de munt verzette zich tegen elke verandering en mechanisering. Dat was niet alleen kortzichtigheid: schroefpersen liepen vaak vast en stempels braken vaak, wat het productieproces onderbrak. Door steeds nauwkeuriger machines werd de opgang van de schroefpers echter onomkeerbaar.
Vooral in de Spaanse koloniën werd er flink geknoeid met gewicht en gehalte van de munten. Een enkele koloniale muntmeester is er zelfs voor gegarotteerd! De nekslag van het systeem was echter de ondergang van het Spaanse rijk, waardoor de
shilling en het pond sterling konden opkomen. De feodale klasse was nu overrijp en zou binnenkort worden vervangen door de staat en de soevereiniteit van het volk.