De VOC is in veel opzichten een interessante organisatie. Tenslotte komt het niet iedere dag voor dat je als privé club internationale verdragen afsluit of muntrecht hebt.
Het verhaal begint bij het verdrag van
Tordesillas, dat de wereld verdeelde in een Portugese en een Spaanse invloedssfeer. Leuk voor die landen, maar het liet weinig ruimte over voor anderen. De wereld draaide door en het Protestantisme kwam op. Belangrijk, want Tordesillas was opgezet met medewerking van de paus, dus het verdrag schenden was heiligschennis, behalve voor Protestanten! Nederlandse koopvaarders in Japan lieten bijvoorbeeld de autoriteiten weten dat Portugal een claim had op Japan en Spanje dus ook, maar Nederland als Protestants land niet. Prompt werden de Spanjaarden en Portugezen het land uitgegooid, het katholicisme hardhandig uitgeroeid en kreeg Nederland een handelspost (later op Deshima) toegewezen. Pot voor mijnheer! Bovendien kwam Portugal aan Spanje, waardoor zijn kolonien vogelvrij werden.
Prompt gingen vrijbuiters en avonturiers op weg om die vreemde gebieden te verkennen, in kaart te brengen en te beroven. In Engeland en de Republiek ontstonden diverse "compagniëen van verre". Tegenwoordig zouden we dat een onderlinge verzekering noemen: een aantal reders kwam overeen het risico te delen dat een uitgeruste vloot niet terug zou komen. Ze droegen allemaal hun steentje bij en ontvingen een deel van de winst of deelden in het verlies naar rato van hun inleg. Zo konden ze hun kapitaal spreiden enliepen ze minder risico.
In 1600 kwamen de politici in actie. De Britten bundelden hun activiteiten in de United East India Company en werden daarmee een economische bedreiging voor de Republiek. Johan van Oldenbarneveldt wist de Compagnien van Holland, Zeland en west-Friesland te bewegen samen te gaan in de VOC (een knappe prestatie) met de belofte van autonomie en zelfs muntslag.
Vanaf het begin is die muntslag merkwaardig geweest. Door een verkeerde tarifering werd het kopergeld ondergewaardeerd en het zilvergeld overgewaardeerd. Daardoor werd het interessant zilver uit te voeren naar Indië en koper terug te brengen naar Nederland. Om dat te voorkomen schreef de Staten-Generaal voor dat alle munten duidelijk gemerkt moesten worden met het beeldmerk van de VOC. Alleen de VOC mocht ze uitvoeren en ze mochten niet naar Nederland terugkomen. Bovendien moest de werkgelegenheid over alle munthuizen verdeeld worden.
De VOC reageerde rationeel door zo veel mogelijk kopergeld te maken (dat leverde winst op) en zo weinig mogelijk zilvergeld (dat leverde verlies op). De zeelieden reageeden ook rationeel. Ze smokkelden zoveel mogelijk Nederlands zilvergeld naar Indië om het daar in VOC zilvergeld om te zetten en een winst te maken ten koste van de Staten-Generaal. Daar stonden strenge straffen op, maar de officieren bleven altijd buiten schot. De kapitein had zelfs eigen schatkist in zijn hut, waar de andere officieren ook hun zilvergeld konden deponeren, daar was het waarschijnlijk veiliger. De VOC moet van deze praktijken geweten hebben, maar beschouwde het waarschijnlijk als een aanvulling op de magere lonen van de zeelieden op kosten van een ander. Als een VOC schip terug kwam uit "de Oost" werd het feestelijk verwelkomd. Matrozen gooiden hun nu waardeloos geworden VOC kopergeld naar zwemmende jongens, die het vingen of opdoken om voor het koper te verkopen, maar ze misten ook wel eens een muntje. Toen de metro van Amsterdam werd aangelegd ging de prijs van VOC kopergeld mysterieus snel omlaag

Zoals je zult begrijpen was het bestuur van de VOC niet alleen corrupt, maar ook vrij chaotisch. Dat de maatschappij toch zo'n groot succes had was te danken aan een nieuwe financieringsmethode. Particulieren konden de VOC een lening geven, waardoor ze recht kregen op een deel van de winst. Kleine leningen werden ook geaccepteerd, de schuldbewijzen waren verhandelbaar en door de expansiedrift van de VOC werden de leningen in de praktijk niet terugbetaald. Het aandeel en het dividend was geboren.
Daarmee niet de hedendaagse marktethiek. De bewindvoerders, de Heren XVII vormden een kwalijk riekend incestueus groepje voor wie handelen met voorkennis, knoeien in de boeken en het bedriegen van de aandeelhouder normaal en geaccepteerd was. Tenslotte kwamen de aandeelhouders in opstand. Het dividend werd uitgekeerd, zelfs vrij hoog en stabiel gemaakt, maar de Heren XVII hielden de macht. Op den duur was betaling van het hoge, vaste dividend niet vol te houden (Bij Enron en Parmalat was er niets nieuws aan de hand) en de VOC ging failliet. De belastingbetaler in de vorm van de Staat der Nederlanden, draaide op voor het tekort, maar kreeg ook alle rechten op de boedel. Als er vandaag de dag een VOC schip wordt gevonden is het Nederlandse Ministerie van Financiën er als de kippen bij om zijn aandeel op te eisen.

Peter